Gevolgen van de Brexit

 

Op 29  maart 2017 heeft de Britse regering de Europese Raad in kennis gesteld van haar voornemen om de Europese Unie te verlaten. Daarmee werd de “terugtrekkingsprocedure” voorzien in artikel 50 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna VWEU) ingeleid. Ingevolge deze procedure zal het Verenigd Koninkrijk de EU binnenkort verlaten, tenzij de periode van terugtrekkingsonderhandelingen zou worden verlengd of het Verenigd Koninkrijk éénzijdig haar voornemen weer intrekt.

Op verzoek van de Eerste Minister van het Verenigd Koninkrijk heeft de Europese Raad recent ingestemd met de verlenging van de vertrekdatum tot uiterlijk 31 oktober 2019. Indien het terugtrekkingsakkoord door beide partijen vóór deze datum wordt geratificeerd, dan zal de terugtrekking zich voltrekken op de eerste dag van de daarop volgende maand.

Hieronder worden de gevolgen behandeld van een Brexit in de hypothese dat een akkoord zou worden bereikt omtrent een terugtrekkingsovereenkomst (punt A), alsook de gevolgen van een Brexit zonder een dergelijk akkoord (punt B).

 

A) Brexit met terugtrekkingsakkoord

 

De Europese Unie en de Regering van het Verenigd Koninkrijk bereikten in november 2018 een voorakkoord omtrent een ontwerp van terugtrekkingsovereenkomst (“draft withdrawal agreement”). Zoals algemeen geweten kon vooralsnog nog geen meerderheid gevonden worden in het Brits parlement omtrent de instemming met dit ontwerp van terugtrekkingsovereenkomst.

(link: https://www.consilium.europa.eu/media/37095/draft_withdrawal_agreement_incl_art132.pdf )

De gevolgen op het vlak van overheidsopdrachten worden behandeld in titel VIII van deel 2. Kort gesteld blijven de huidige regels van toepassing in de transitieperiode tot eind 2020. Ook voor de opdrachten die worden gelanceerd vóór 1 januari 2021, maar op dat moment nog niet afgesloten zijn, zouden de huidige regels verder moeten worden toegepast.

 

B) Brexit zonder terugtrekkingsakkoord (“no deal”) maar met GPA akkoord

Toetreding tot GPA

Het Verenigd Koninkrijk heeft ondertussen zekerheid bekomen omtrent de  mogelijkheid om op zelfstandige wijze toe te kunnen treden tot de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie (hierna GPA). Op 27 november 2018 werd hieromtrent namelijk een principeakkoord gesloten. Op 27 februari 2019 heeft de WTO op haar website nadere toelichting gegeven. Het Verenigd Koninkrijk valt onder de GPA:

-             als EU-lidstaat tot de datum van zijn terugtrekking uit de EU, of

-             indien de EU en het Verenigd Koninkrijk een overeenkomst sluiten die voorziet in een overgangsperiode gedurende dewelke het gemeenschapsrecht van toepassing is op het Verenigd Koninkrijk, tot de datum waarop die overgangsperiode afloopt, of

-             als zelfstandig lid. De toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de GPA wordt dan van kracht 30 dagen nadat de Britse regering daartoe het verzoek neerlegt. Zij kan dit ten vroegste doen 30 dagen voor de datum waarop het Verenigd Koninkrijk ophoudt een lidstaat van de Europese Unie te zijn (en binnen zes maanden na de datum van het besluit).

Er wordt aan herinnerd dat het toepassingsgebied van de GPA niet identiek is aan dat van de Europese richtlijnen. De GPA is bijvoorbeeld alleen van toepassing op de opdrachten boven de Europese drempels.

Aanpak voor de opdrachten die niet onder het toepassingsgebied van de GPA vallen

In een kennisgeving aan belanghebbenden van 18 januari 2018 inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk en EU-regels op het gebied van overheidsopdrachten wordt de behandeling van ondernemers van het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie beschreven voor de procedures die worden gelanceerd vanaf de datum van de Brexit, in geval er geen akkoord wordt bereikt en zonder toetreding tot de GPA. De daarin beschreven beginselen zullen alleen hun nut behouden voor de opdrachten die niet onder de GPA vallen (of in de eventuele korte periode tussen neerlegging verzoek zelfstandige deelname en eigenlijk statuut zelfstandig lid GPA). Voor deze opdrachten kan deze kennisgeving als volgt worden begrepen :

 1. Het is niet uitgesloten dat sommige aanbesteders een minder gunstige behandeling toekennen aan ondernemers uit derde landen waarop geen internationale overeenkomst van toepassing is. Het verdient echter aanbeveling een dergelijke (uitzonderlijk) minder gunstige behandeling in de opdrachtdocumenten te beschrijven (voor zover dit niet verboden wordt door internationale verdragen).

 2. In de speciale sectoren (water, energie, vervoer, …) kan in bepaalde gevallen een minder gunstige behandeling worden toegepast voor ondernemers uit derde landen (zelfs zonder enige bepaling in die zin in de opdrachtdocumenten). Artikel 154 van de wet inzake overheidsopdrachten laat de aanbestedende entiteit meer bepaald toe om, bij een opdracht van leveringen en wanneer meer dan 50 % van de waarde van de producten uit derde landen afkomstig is, een dergelijke offerte te weren. Overigens moet volgens dezelfde bepaling, wanneer twee offertes gelijkwaardig zijn in het licht van de gunningscriteria, voorrang worden verleend aan de offerte waarvan de waarde van de producten die afkomstig zijn uit derde landen niet hoger is dan 50 %, behoudens de opgegeven uitzonderingsgevallen.

 3. Wat de opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied betreft regelt artikel 21 van de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied de toegang voor de ondernemers die afkomstig zijn uit derde landen.

 

Lopende opdrachten met ondernemers uit het Verenigd Koninkrijk

 Bij gebrek aan een terugtrekkingsovereenkomst zal de vraag wat dient te gebeuren met de lopende opdrachten niet uitdrukkelijk geregeld zijn. Volgens de Europese Commissie zullen de ondernemers uit het Verenigd Koninkrijk in geen enkele hypothese hun recht verliezen om deel te nemen aan procedures die op de datum van de Brexit lopende waren.

        

Overige handelsrechtelijke problemen die zich zouden kunnen stellen ingevolge Brexit ?

Het valt niet uit te sluiten dat zich bepaalde problemen kunnen voordoen die geen verband houden met de wetgeving overheidsopdrachten sensu strictu. Voor een opdracht die wordt gegund aan een ondernemer uit het Verenigd Koninkrijk, zou bijvoorbeeld achteraf kunnen blijken dat een vereiste erkenning ontbreekt ingevolge de Brexit, hetgeen ertoe zou kunnen leiden dat de opdracht de facto niet langer uitgevoerd kan worden.

Het valt alleszins sterk af te raden om een offerte te weren omwille van dergelijke potentiële problemen alvorens de Brexit-date. Het betreft inderdaad op heden puur hypothetische problemen en een uitsluiting die gemotiveerd is door een mogelijke Brexit zou discriminatoir zijn.

Aangepast op 16/04/2019